Column: De herkeuring van de sportkeuring

In 1927 werd voorafgaand aan de Olympische Spelen in 1928, de Federatie van Bureaux voor Medische Sportkeuring opgericht. Sindsdien is veel veranderd in het denken over sport en gezondheid. De sportgeneeskunde staat nu voor een belangrijk moment, de erkenning als klinisch medisch specialisme. En goed moment om de inhoud van het vak te heroverwegen.

Blessures en conditionele problemen
Een argument voor toetreding tot de groep van medisch specialisten, is het curatieve werk dat de sportarts vaak verricht. Voorheen viel de sportgeneeskunde onder sociale en grotendeels preventieve geneeskunde maar tegenwoordig is meer dan 50% van de patiëntcontacten gebaseerd op problematiek die sporters ervaren bij het uitoefenen van hun sport, blessures en conditionele problemen voorop.

Financiële druk
De gezondheidszorg staat daarnaast onder zware financiële druk en evidence-based medicine wordt meer en meer de leidraad, daar waar beslissingen moeten worden genomen over vergoeding van het handelen van de dokter. Het is de vraag of preventief sportmedisch onderzoek hier nog wel in past.

Het ideaal uit 1927 om in elke gemeente een Medisch Sportkeuringbureau te hebben is bij lange na niet gehaald en in 1979 kwam de Federatie tot het inzicht dat de keuring te aspecifiek en te weinig sensitief was om het garanderen van een gezonde sport en het voorkomen van ernstig letsel, te realiseren. In 1983 werd de Federatie opgeheven.

PSMO
De eerste Nederlandse sportarts, Gee van Enst, verrichtte pionierswerk door een ander type sportkeuring te introduceren, het Preventief Sportmedisch Onderzoek (PSMO), een tweetraps onderzoek, waarbij de sporter en zijn sportbeoefening centraal stonden. Ook deze vorm van sportkeuring is een zachte dood gestorven hoewel onderdelen nog steeds de basis vormen voor het huidige sportmedisch onderzoek.

Plotse hartdood
In 2004 schreef sportarts Hans Zwerver al in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde een kritische beschouwing over het nut van preventieve adviezen en onderzoeken. Collega Robbart van Linschoten komt in 2010 in Huisarts en Wetenschap tot dezelfde conclusie. Met name de kans op plotse hartdood tijdens het sporten, een gebeurtenis die zelden voorkomt, wordt niet essentieel verkleind door preventief sportmedisch onderzoek. Het proefschrift van Margriet de Beus uit 2010 (Prijs voor Sportgeneeskunde) toonde dit ook nog eens aan.

In maart 2013 vroegen drie sportcardiologen in de Volkskrant aandacht voor het dilemma van de sportkeuring, gericht op hartafwijkingen. Hoewel individuele gevallen voor de direct betrokkenen dramatisch zijn, is een zeker risico nooit uit te sluiten maar nu worden vele sporters door de screening onterecht aan nader onderzoek onderworpen. Dit is niet alleen kostbaar maar ook niet altijd zonder risico’s.

Sportzorg
Het Cochrane Institute publiceerde eind vorig jaar een grote studie naar het effect van gezondheidschecks bij mensen zonder klachten. Ondanks alle goede bedoelingen leiden deze checks niet tot minder doden of zelfs minder ziekten. Moet een sportmedisch onderzoek desondanks toch worden uitgevoerd? De website sportzorg.nl, een samenwerking van de Vereniging voor Sportgeneeskunde (VSG) en Federatie Sportmedische Instellingen (FSMI), beveelt sportmedisch onderzoek in al haar vormen voor iedere sporter van harte aan, met de ‘plotse hartdood’ als schrikbeeld.

Verplichte keuring
De FSMI heeft dit jaar een traject doorlopen, waarbij alle deelnemers van de Alpe d’Huzes, een charitatieve meervoudige beklimming van de Alpe d’Huez, verplicht gekeurd moesten worden. De kosten van deze totale operatie bedroegen meer dan 1 miljoen euro. Ook andere organisatoren van sportevenementen denken na over verplichte sportkeuring voor deelnemers. Hiermee neigt deze trend, tegen alle pogingen van kostenbeheersing in, weer naar het ideaal van 1927.

Inkomsten
Het sportmedisch onderzoek vormt een groot deel van de inkomsten van de sportartsen (een sportmedisch onderzoek van ongeveer een uur kost tussen de 200 en 250 euro, een blessureconsult doorgaans minder dan 90 euro). Een terugloop in sportmedisch onderzoeken zou een forse inkomensderving voor deze beroepsgroep betekenen en het valt niet uit te sluiten dat deze financiële prikkel meespeelt in de advisering tot sportkeuring.

Bij de keuring voor Alpe d’Huzes deelnemers zijn, volgens een factsheet van de FSMI, vaker trainingsadviezen gegeven dan dat er daadwerkelijk grote risico’s zijn ondervangen. Hier werd de sportgeneeskunde dus ingezet voor een veredelde fitnessinstructie.

Sportkeuringen kunnen selectief aangeboden worden, namelijk alleen daar waar het risico verhoogd is, zoals bij een voorgeschiedenis met hartziekten of bij sporten zoals scuba-duiken, sporten waarbij specifieke aandoeningen extra risico’s met zich meebrengen. Domweg iedereen keuren omdat het kan lijkt weinig zinvol.

Een goed moment
Hier ligt een kans om de eigenlijke inhoud van het vak tegen het licht te houden en gedetailleerd te kijken naar het specialisme gericht op sporten en bewegen, de problemen die zich daarbij voordoen en daar een passende oplossing voor te zoeken. Het is aan de zorgverzekeraars om de expertise van een passend tarief te voorzien zodat de financiële prikkel tot het uitvoeren van onnodige sportkeuringen wordt weggenomen. De overgang naar een erkend klinisch specialisme zou daar een goed moment voor zijn.

Column: De sportkeuring revisited

    Op de hoogte blijven? Meld je hier aan voor de nieuwsbrief!

    Partners

    SportStroom helpt clubs mede bij het financieren en de uitvoering van energiebesparende maatregelen. Maar ook bij het aanvragen van subsidies.Clubbier helpt sportclubs om een inkoopcollectief voor tapbier te startenDe gemeente Zeewolde als oneerlijke concurrent en jachthaven exploitant